| Online artikel uit LOVER 2002/3
Transatlantische overwegingen
Hoe anders
durft de transgender te zijn?
door Arianne van der
Ven
Na
jaren in de VS te hebben gewerkt in de transgenderzorg, viel het Arianne van der
Ven op hoezeer Nederlandse transen hun best doen zo 'gewoon' mogelijk te zijn.
De behoefte aan assimilatie weerspiegelt zich in een gebrek aan solidariteit én
een rigide transgenderzorg. Dat ziet er in de VS heel anders uit.
Boston 1998. Twaalf messteken. Ze lag bebloed in haar huiskamertje. Dood, in
Roxbury, een zwarte achterstandswijk. Nu lopen driehonderd transgenders met
lampionnetjes door haar buurt. Haar zwarte familie loopt voorop. Als de stoet
langs haar huis komt, krimpt de moeder ineen en schreeuwt: 'What have they done
to you? My little boy. What have they done to you?' Ze kruipt over de stoep.
Haar kinderen staan versteend. Een zwarte travestiet helpt de moeder omhoog en
de tocht gaat verder. 'My little boy! My little boy!', gilt de moeder. Simone
was de tweede transgenderprostituee die dat jaar vermoord werd in Boston
Massachusetts.
Amsterdam 1996. 38 Zuid-Amerikaanse transgenderprostituees
worden gedeporteerd uit Nederland. Ze zouden te agressief zijn en de
junkiehoertjes intimideren. In de pers wordt de politieactie toegejuicht.
Niemand vertelt over de agressie die juist deze meiden van hun cliënten te
verduren hebben. Na een molestatie durven zij niet naar de politie of de
GG&GD, vanwege hun immigratiestatus en de ervaring met hun eigen overheid -
in Zuid-Amerikaanse landen worden opgepakte transgenderprostituees niet zelden
gemarteld door de politie. Uit de Nederlandse transgender- of homo-'gemeenschap'
wordt ten tijde van de uitzetting niets vernomen.
Verkleedhobby
In Boston, de stad waar ik mijn eigen transitie
doormaakte, werkte ik een aantal jaar als psycholoog met transgenders. Het
schrille contrast tussen de solidariteit onder transgenders in de VS en in
Nederland heeft me beziggehouden sinds ik terug ben. Nederlandse transen lijken
wat solidariteit betreft weinig op hun Amerikaanse zusjes, en veel meer op
Nederlandse homo's en lesbo's. Gewend aan de Amerikaanse situatie, trof het me
in Nederland dat alle minderheden uit dezelfde cookie cutter lijken te
komen. Het is alsof zij allen dezelfde emancipatiestrategie volgen, door
homologen ook wel assimilatiestrategie genoemd. Dit houdt in dat seksuele
minderheden benadrukken volstrekt gewone mannen en vrouwen te zijn, die
toevallig in het verkeerde lijf geboren zijn (transen), gewoon een andere
seksuele voorkeur hebben (lesbiennes) of alleen maar een leuke verkleedhobby
hebben (trava's en dragkings).
Nadelig gevolg hiervan is dat minderheden hun gemeenschappelijke verschil ten
opzichte van de meerderheid minimaliseren, door de onderlinge verschillen te
maximaliseren. Homo-bobo's stipuleren dat zij alleen maar kunnen lachen om
mannen in jurkjes, en meer serieuze trava's vertellen omgekeerd niets met homo's
van doen te hebben. Misschien vinden groepen met meer afwijkingen van de norm
daarom ook geen zegslieden, zoals transen die sekswerk doen en geen
verblijfstatus hebben. We willen in Nederland allemaal zo 'gewoon' mogelijk
zijn. Deze angstvalligheid maakt dat van alle seksuele minderheden tezamen
weinig vernieuwende werking uitgaat. De heteroseksistische hegemonie blijft
onuitgedaagd. Renée Hoogland zou haar oproep tot een lesbisch reveil een aantal LOVER-nummers geleden wel eens in het verkeerde land gedaan kunnen
hebben.
Eerlijk is eerlijk: de grote assimilatie heeft in Nederland wel geleid tot
een veel toleranter en behulpzamer klimaat dan in de VS. Vooral voor transen. De
Nederlandse overheid en verzekeraars spenderen enkele miljoenen per jaar om
transen de medische hulp te bieden waar zij voor hun levensperspectief van
afhankelijk zijn. Het geld wordt echter door medici en hulpverleners verdeeld;
zij bepalen welke trans hulp krijgt. De dominante positie van de medische
autoriteit marginaliseert de stem van de transen zelf en houdt een strikt
assimilatiebeleid in stand, dat als eerste verwoord werd door Harry Benjamin.
Deze Amerikaanse psychiater zette in 1964 zijn carrière op het spel door te
pleiten voor regulatie van de gewenste uitkomst door een strakke selectie en een
strak medisch, sociaal en juridisch protocol.
In Nederland is bijvoorbeeld
een gedeeltelijke behandeling, al was het maar met het oog op de vruchtbaarheid,
onbespreekbaar. Men wil in de woorden van de genderteams 'geen hermafrodieten
maken'. Medische hulp of gesprekstherapie worden niet geboden aan hen die hun
identiteit niet eenduidig als mannelijk of vrouwelijk bestempelen, die
ambivalente gevoelens hebben over het aanpassen van (al) hun geslachtsdelen of
die zich depressief tonen omdat zij veel verdriet en verlies ervaren.
Voorafgaand aan enig hulptraject dient men tot een onomwonden besluit te zijn
gekomen over wat men wil. Afgezien van de ethische vraag naar het normatieve
doel van deze zorg, is het de vraag of deze hulpverlening haar doel niet
voorbijschiet. Is het wel goed om de hulpverlening zo hoogdrempelig en rigide te
maken en mensen lange tijd in een zorgvacuüm te laten? Tegenover de duizenden
die de genderteams aan een volledige lichamelijke transitie geholpen hebben,
staan volgens onderzoekers als Paul Vennix van het Nisso - het Nederlands
Instituut voor Sociaal Seksuologisch onderzoek - weer duizenden voor wie alle
hulp onbereikbaar blijft.
Braderieën
In Noord-Amerika worden hulpverleners die zich
specialiseren in transgenderzorg 'genderspecialisten' genoemd. Anders dan hun
Nederlandse collega's werken ze niet vanuit een ziekenhuis, hebben zij een grote
affiniteit met de transgendergemeenschap en blijven die ook vaak decennialang
trouw. Zij hebben een geheel andere expertise opgebouwd en zien de transseksuele
identiteit niet als een gegeven, maar als iets dat door de tijd heen groeit,
vaak beginnend met slechts een paar aspecten van gender-expressie (zoals kleding
en rolgedrag) en soms uitgroeiend naar aspecten als lichaamsbeleving,
zelflabeling en affectieve identiteitsbeleving (een relatie aangaan als man,
vrouw of trans). Anders dan bij de Nederlandse trans wordt in Boston ieder
stapje uit de kast, of men zich nu voor het eerst omkleedt of tot een genitale
operatie besluit, gezien als een transitie op zich, met allerlei mogelijke
effecten op de zelfbeleving en leefomgeving. Genderspecialisten werken met alle
groepen transgenders, ongeacht de uitkomst van de transitie (trava,
transgenderist of trans). Allerlei voorlopige transitie-uitkomsten die in
Nederland zijn uitgesloten, behoren in Noord-Amerika wel tot de mogelijkheden,
zoals een borstverwijdering zonder voorafgaande hormoontherapie (en dus met
behoud van vruchtbaarheid).
In de VS geschiedt de transzorg op maat.
Staatsoverheden subsidiëren de gezondheidszorg alleen op een indirecte manier,
via algemene middelen voor zorg aan hen die weinig verdienen. Er is geen
Gezondheidsraad die ingewikkelde besluiten hoeft te nemen. In een stad als
Boston komt de overheidszorg voor transen neer op zeven instellingen voor gratis
hormoonbehandeling en gesprekken. Zij die hun verdere zorg niet kunnen betalen,
zijn aangewezen op de community om het leven draaglijk te maken. Vooral
jeugdige transen uit achterstandswijken lopen hoge risico's. Transen hebben
weinig te verliezen van hun overheid, maar juist daardoor kunnen zij bijdragen
aan het publieke debat over gender in de kranten, de politiek en in een nieuw
academisch werkveld, ook wel transgender studies genoemd.
Doelgeslacht
In de Amerikaanse 'laissez faire'-omgeving zijn
transgenderorganisaties grassroots: ze komen voort uit de gemeenschap
zelf, hebben een sterke lotsverbondenheid en een eigen stem. Ze werken aan hun
zichtbaarheid en organisatie met straatfeesten en braderieën in stadsparken.
Ieder jaar is er in de hoofdstad van elke staat een Transgender Lobby
Day, gevolgd door een National Transgender Lobby Day in Washington
DC. Transgenders uit alle staten bewandelen dan de gangen van de macht in het
Rayburn Building - waar de representatives en senatoren kantoor houden -
en vragen hun om voor een actueel voorstel te stemmen.
In de VS speelt de
nationale politiek echter niet zo'n dominante rol als in Nederland. De echte
successen worden geboekt in bedrijven en in de plaatselijke politiek. In de
laatste vier jaar hebben bedrijven als NBC, American Airlines, AT&T, Intel,
Apple, en Lucent Technologies transgendervriendelijke personeelsrichtlijnen
opgenomen. Vijf steden hebben plaatselijke verordeningen opgesteld die 'vrijheid
van gender-expressie' garanderen en vier staten, waaronder Californië, zullen
volgend jaar soortgelijke wetgeving overwegen. Vooraanstaande media zoals Times Magazine, The New York Times en The Washington Post beschrijven de transgender movement als een nieuwe minderheid in de
politieke arena.
Volgens Riki Ann Wilchins, leidster van de actiegroep Transsexual Menace en
auteur van het boek Read My Lips, hebben transen hun succes te danken aan
een verbreding van hun boodschap. Transen leggen niet langer de nadruk op hun
discriminatie, maar op de beperkingen die wij allemaal ondervinden. Gender lijkt
zo'n natuurlijke sociale norm dat wij haar met een bijna onwillekeurige
wreedheid toepassen. Als voorbeeld noemt Wilchins het geval van Tyra Hunter, die
overleed na een auto-ongeluk omdat het ambulancepersoneel haar mannelijke
genitaliën ontdekte en zich een kwartiertje vrolijk maakte alvorens eerste hulp
te verlenen. Transen verbinden dit soort voorbeelden niet zozeer aan
discriminatie van transen, maar aan meer alledaagse vormen van gendermisère.
Zoals de wanhoop van de man die zichzelf verwijt dat zijn carrière niet
opschiet, de vrouw die bang is te veel ruimte in te nemen en iedereen die ooit
bang is geweest te falen als dochter of als zoon. Het is voor ons allemaal
belangrijk om minder normatief over gender te worden, zo luidt de boodschap. En
de breedte van die boodschap zou verklaren waarom bijna alle feministische en
homo-organisaties nu transinitiatieven ondersteunen. In Amerika.
Toch komt
ook in de VS veel van wat over transen geschreven wordt voort uit besognes van
anderen. Feministen, lesbiennes en homo's ruziën er over het al dan niet queer zijn van transen. Wie transen toch niet zo bruikbaar vindt als
toonbeeld van subversiviteit of parodie op genderrollen, schuift de
transseksuele ervaring weer als wezensvreemd aan de kant. Maar wat transen aan
de andere minderheden te bieden hebben, schuilt juist in het authentiek
menselijke van hun problematiek; neem de angst, de rouw en de dreigende
eenzaamheid van de uitbehandelde trans die nog steeds een onbeholpen parodie
lijkt van haar doelgeslacht. In Nederland is haar aanwezigheid zo pijnlijk omdat
haar aangezicht ons de grenzen van de assimilatiestrategie aantoont. Haar
dagelijkse leven kan geen deel zijn van de licht verteerbare werkelijkheid die
in de Nederlandse gender- en homostudies gecreëerd wordt. Nederlandse
minderheden ontlenen hun rechten en relatief pijnloze coming out immers
aan het minimaliseren van het anderszijn. Juist het erkennen van het kwetsbare
anderszijn, maakt het de Amerikaanse trans mogelijk om zichzelf als mens te
accepteren, door de transitie heen te gaan, als gemeenschap een stem te hebben
en als individu weer relaties aan te gaan. De diepste scheidslijn tussen
Amerikaanse en Nederlandse minderheden is misschien wel een existentiële.
Waarmee maar gezegd is: De vaart vermindert, de zonnige menigte lonkt... de
boot is sierlijk aangelopen. En ik zal nooit meer helemaal thuis zijn.
Arianne van der Ven werkte van 1995 tot 1999 voor de Beacon Hill
Multicultural Psychological Association in Boston, een community based consultatiebureau verbonden aan de Boston University. Daarvóór werkte zij als
journaliste, gespecialiseerd in HIV en aids. Na haar verblijf in de VS werkt zij
in Amsterdam als docent en coördinator voor het Sex, Gender & Identity
Program van de International School of Training.
|