Het weten van het lichaam
Arianne van der Ven
Herculine Barbin was een negentiende-eeuws Frans meisje. Ze was een lerares van vroeg in de twintig toen zij zich verliefde in een meisje van achttien. De grootste ramp in haar leven kwam echter niet toen zij tijdens een vrijage betrapt werden, maar door een ontdekking volgend op haar arrestatie. Herculine bleek naast vrouwelijke ook mannelijke genitaliën te bezitten en haar werd een mannelijke naam en identiteit opgedrongen. Na een aantal jaren als man geleefd te hebben... pleegde zij zelfmoord.
We kennen haar autobiografie door het werk van Michel Foucault. Meer dan een eeuw na haar dood las hij haar manuscript in een rapport van ene Dr. Ambroise Tardieu. Deze arts vond haar geschrift naast haar ontzielde lichaam, op het Parijse zolderkamertje dat zij als man en spoorwegarbeider bewoonde. Tot haar laatste minuut hield Herculine de gang tot haar suïcide bij. Zij beschreef hoe haar leven in het teken stond van het oordeel van artsen. De ene dokter had bij haar geboorte vastgesteld dat ze een meisje was, een ander besliste twintig jaar later dat zij een man was. Vandaag zouden we zeggen dat zij interseksueel was (iemand die geboren is met zowel manlijke als vrouwelijke geslachtsdelen). Deze medische diagnose kan alleen maar hinten naar haar afgesnedenheid van haar gender, van haar tijdgenoten, haar lichaam en geliefde, haar eenzaamheid.
Een beetje Foucault-kenner kan zich voorstellen hoe hij dit geschrift zag als een voorbeeld van de soms destructieve relatie tussen de macht van het gelegitimeerde weten en het individu. Herculine moest een mannelijk gender aannemen omdat haar lichaam dit vertelde aan haar arts. Haar werd niets gevraagd. Vandaag de dag nemen we een radicaal andere route. Soms veranderen we een ondubbelzinnig mannelijk of vrouwelijk lichaam in het tegenovergestelde om tegemoet te komen aan het ‘gender’ waartoe iemand zich voelt behoren (dit wordt transseksualiteit genoemd).
De huidige situatie kent zijn voorlopers in de negentiende eeuw. Vanaf het eerste moment dat de psychiatrische beroepsgroep zich ontwikkelde, in de tweede helft van de negentiende eeuw, werd zij benaderd door mensen die hoopten dat de medische wetenschap hun een uitweg zou bieden. De eerste beschreven geslachtsoperatie bij een transseksueel vond plaats in 1882 toen Sofia Hedwig onder het doktersmes veranderde in Herman Karl. Deze operatie kan met de toenmalige technieken niet meer ingehouden hebben dan een verwijdering van de borsten en de eierstokken. Maar het was voldoende om de Pruisische staat te doen besluiten haar officiële naam en geslachtsaanduiding te veranderen. Vanaf de opkomst van de psychoanalyse rondom 1920 werd gender gezien als een genitaal gegeven, en transseksuelen gezien als verkapte homoseksuelen of psychoten (mensen die een waan hebben, zoals het horen van stemmen die niemand anders hoort). De psychiatrie keerde zich massief tegen lichamelijk ingrijpen. Tot 1963, toen psychiater Harry Benjamin in zijn boek The transsexual phenomenon een diagnostisch instrumentarium en een medisch behandelingsprotocol leverde. Twintig jaar later, in 1984, werd deze vorm van zorg ook in Nederland gerealiseerd.
Een transseksuele kennisleer
Wat kan ons lichaam vertellen over wie wij zijn? Dat is de inzet van dit stuk. We nemen transseksualiteit als casus, omdat het lichaam hierbij geen spoor van interseksualiteit toont (het lichaam toont zich eenduidig mannelijk of vrouwelijk). Het gaat dus werkelijk alleen om ongerijmde zaken die zich openbaren gedurende de levensloop.
We nemen het werk van Maurice Merleau-Ponty als vertrekpunt. Deze wijsgeer overleed voordat transseksualiteit een onderwerp van filosofische discussie werd. Maar hij is als geen ander de filosoof van het wetende lichaam. Het irriteerde hem dat veel filosofieën waarin het lichaam een rol speelt aan het lichaam zelf voorbij gaan. Ook filosofische beschouwingen over transseksualiteit kijken vaak langs het lichaam heen. Zij hebben ‘gender’ als onderwerp, waarbij de nadruk ligt op de sociale rollen die mannelijke en vrouwelijke lichamen in onze cultuur kunnen innemen. De assumptie die hieraan ten grondslag ligt is dat het lichaam een passieve drager is van menselijk rollenspel. De ervaring dat het lichaam niet klopt, zou niet uit het lichaam zelf kunnen voortkomen. Dit essay kijkt of een teruggang naar het lichaam een aanvulling kan bieden op deze theorieën.
Hoe kan iemand die een goede relatie met de werkelijkheid heeft, vanuit het lichaam ervaren dat het lichaam niet klopt? Hoe komt de transseksueel aan zijn kennis dat hij tot het andere geslacht behoort? Een transseksueel is in het bezit van kennis die door de empirie wordt tegengesproken. Dat soort mensen komen we meer tegen. Neem de man in de psychiatrische kliniek die meent dat hij Napoleon is. We zeggen dat deze man een waan heeft omdat hij zich weinig gelegen laat aan de realiteit. Het is bijvoorbeeld eigenaardig dat deze ‘Napoleon’ het stellen kan zonder de zaken die de echte Napoleon toebehoorden (legers, paleizen en Josephine). De psychoot kan dit omdat hij zijn ervaring niet aan het oordeel van anderen of de werkelijkheid toetst. De transseksueel daarentegen lijdt aan de oninvoelbaarheid van zijn kennis voor anderen. Hij streeft een fysieke verandering van zijn geslachtsdelen na, juist omdat hij lijdt aan hun werkelijkheid. Er is dus niets mis met zijn realiteitstoetsing. Maar hoe kan hij dan toch zijn ongerijmde ‘kennis’ verwerven? Dit is niet alleen een vraag voor de psychologie, maar is ook een filosofische vraag. Hoe weten wij wie we zijn? Waar zetelt de identiteit?
Het aardse lichaam
Merleau-Ponty beschreef hoe ons weten verankerd ligt in een voorbewuste grond, die van het lichaam. Voorbewuste processen gaan aan de waarneming vooraf, maar kunnen bewust worden als we enige moeite doen. Zo wijst psychologisch onderzoek bijvoorbeeld uit dat het eerste wat we bij een begroeting proberen op te merken het geslacht van ander is. Als iemand bijzonder tweeslachtig is en we niet achter zijn/haar geslacht kunnen komen, blijft deze vraag op de voorgrond staan en observeren we tot we het antwoord weten. We kunnen zelfs een trucje uithalen. In de metro worden transen vaak naar de tijd gevraagd, eenvoudig om aan de stem een oordeel te vellen over zijn/haar werkelijk geslacht. We weten wellicht niet dat de vraag ons zo preoccupeert, maar kunnen het bij een eerstvolgende begroeting met een onzijdige vreemde wel traceren.
Voor Merleau-Ponty is het lichaam een niet aflatend wonder, ‘waarover wij slechts kunnen stamelen’. Het wonder van het lichaam zit allereerst in haar worteling in het aardse. Onze ogen hebben kegeltjes om de kleuren van de aarde te zien, onze vingertoppen zijn voorzien van gevoelszenuwen om te kunnen tasten, onze oren hebben een vlies dat trilt op geluidsgolven. Ons lichaam biedt ons een ‘doorleefde ruimte’ die vooraf gaat aan de reflectie. Een ruimte waarin objecten groot of klein zijn relatief aan de grootte van ons lichaam, licht of zwaar zijn in verhouding tot onze spierkracht, en nabij of veraf in relatie tot onze snelheid. Voor we over de wereld gaan nadenken levert het lichaam de wereld al aan als een ‘zinsveld’, waarin lichaam en object al door elkaar zijn aangedaan en gevormd. Het lichaam behoort de wereld toe, gaat er naar uit, en geeft haar een maat die wij aankunnen. Dat is al een wonder, maar niet het grootste wonder.
Het echte wonder van het lichaam is voor Merleau-Ponty dat het, als het in goede conditie verkeert, zichzelf niet waarneemt. We kijken door onze ogen zonder dat we onze ogen zelf zien. Totdat er een stoornis optreedt, als er een zweem op het oogoppervlak komt, en het zicht vermindert. Merleau-Ponty noemt het gezonde lichaam ‘het onzichtbare dat de wereld zichtbaar maakt’. Als het lichaam de aandacht naar zichzelf trekt is het vermoeid of anderszins niet in orde. Een ziek lichaam heeft een scherpe proprioceptie (het voelen van het eigen lichaam) en roept om beterschap. Kan deze proprioceptie ook een bron van kennis zijn waardoor de transseksueel zichzelf leert kennen als ‘ziek’? Zijn lichaam zou onzichtbaar moeten functioneren, maar kan dat niet. Hoe verloopt het gewaarwordingproces van ons lichaam eigenlijk, en wat zijn de meest voorkomende stoornissen daarin?
Het neurologische lichaamsbeeld
In verhalenbundels als The man who mistook his wife for a hat and other clinical tales beschrijft neuroloog en auteur Oliver Sacks veel levensgeschiedenissen waarbij er iets mis is met de proprioceptie. Vaak komt dit doordat het lichaamsbeeld in de hersenen niet overeenkomt met het eigenlijke lichaam. Zo kan iemand bijvoorbeeld lijden aan fantoomgevoelens, waarbij men jeuk ervaart onder een geamputeerde voet. De neurologie verklaart dit voor ons. Zij leert ons dat nog bestaande zenuwbanen signalen uitzenden naar de hersenen, die deze weergeven als komend uit de voet, en de fysieke sensatie van jeuk geven op een plaats waar men niet meer kan krabben. Erg lastig.
Een meer positieve vorm van een dergelijk fantoomledemaat treedt op bij het incorporeren van prothesen, bijvoorbeeld voor een geamputeerde arm. Iemand die een lichaamsbeeld heeft waarin twee armen bestaan, kan een prothese voor een geamputeerde arm als eigen ervaren en gebruiken. Als je een hete kop koffie over de stalen prothese gooit kan de drager ervan ‘auw!’ roepen ‘wat doe je nou?’ Hij heeft de stalen arm ‘geïncorpereerd’ en voelt het als een deel van hemzelf.
Omgekeerd zijn er neurologische beelden waarbij de arm gezond is, maar het beeld (de representatie) daarvan in de hersenen ontbreekt. De arm wordt dan als een vreemd object ervaren, en kan niet gebruikt worden. De eigenaar ‘kent’ de gezonde arm niet en ervaart hem als hinderlijk omdat hij alsmaar tegen allerlei dingen aanstoot. Belangrijk is dat het lichaamsbeeld in de hersenen even fysiek en organisch is als dat van al de andere onderdelen van het lichaam. De hersenen zijn een cruciaal onderdeel van het lichaam, zij bepalen of de signalen uit de arm ook echt aankomen en als ‘eigen’ gevoeld worden.
Kan een dergelijk neurologisch lichaamsbeeld ook licht werpen op het kennen van de transseksueel? Een auteur als Jay Prosser meent van wel. De geopereerde transseksueel kan het nieuw gevormde geslachtsdeel immers beter gebruiken en als ‘eigen’ ervaren dan het originele. Prosser veronderstelt dat de nieuw gevormde vagina of penis dus wel een plaatsje moet hebben in het lichaamsbeeld van de transseksueel. Prosser verwijst hierbij ook naar het recente onderzoek van Dr. Swaab, die vrouwelijke hersenkernen vond bij mannelijke transseksuelen.
Prosser erkent dat zijn redenering post hoc en speculatief is, en buigt zich daarom over uitlatingen van transseksuelen uit de tijd dat geslachtsveranderende operaties nog niet voorhanden waren. Hij slaat er de Psychopathia Sexualis (1882) van de negentiende- eeuwse psychiater Kraft-Ebing op na, en laat een Hongaarse patiënt aan het woord. Zelf een huisarts, schreef deze: ‘ik ben een vrouw in een mannelijke vorm, en ook al ben ik gevoelig voor mijn mannelijke vorm, het is altijd in een vrouwelijke zin. Zo ervaar ik de eikel als clitoris en het scrotum als labia maiora; om kort te gaan, ik voel de aanwezigheid van een vulva.’
Gedurende het seksuele contact met zijn vrouw kan deze arts alleen functioneren door zich voor te stellen dat hij de vagina bezit, en zij de penis. Hij droomt van een oplossing van zijn probleem: ‘als het mes van de chirurg mijn lichaam werkelijk zou kunnen aanpassen, zou ik niet wijken voor de ingreep’. Prossers voorbeeld laat zien hoe een lichaamsbeeld zich kan opdringen aan het kennende subject, zijn aandacht geheel weg kan nemen van zijn partner, en hem in de dissonantie doet ervaren wat er nodig is om lichaam en lichaamsbeeld weer overeen te laten stemmen. Als we met Merleau-Ponty aannemen dat een gezond lichaam de aandacht niet voelt uitgaan naar zichzelf maar naar de gedeelde werkelijkheid, dan kunnen we begrijpen waarom deze man de hulp van de medische wetenschap inroept.
Veranderde genderrol
Het vreemde aan het bovengenoemde voorbeeld is dat de arts wel een wens tot geslachtsveranderende operatie meldt, maar geen verandering van genderrol. Hij wil niet perse als vrouw worden ervaren door anderen. Dat klopt niet met wat we vandaag de dag over transseksuelen vernemen. Waren de sociale gevolgen van de overgang naar een leven als vrouw voor een negentiende-eeuwse, getrouwde huisarts te groot? In die tijd kon een vrouw immers geen arts zijn, en al helemaal niet met een andere vrouw gehuwd zijn. Een genderroltransitie zou veel grotere gevolgen hebben (uitsluiting, armoede) dan een genitale operatie, waarvan men de gevolgen voor de bredere omgeving kan verbergen.
Nog steeds menen veel feministische historici en sociologen dat transseksualiteit pas gedacht kon worden, en operaties gewenst, toen deze technisch mogelijk werden. Dit is in strijd met de feiten. Transseksuelen presenteerden hun probleem aan psychiaters toen er nog geen operaties bestonden, en geslachtsoperaties zijn in technisch opzicht al mogelijk sinds 1931, toen Dr. Abrahams twee geslachtsveranderende operaties beschreef (zie Eicher, 1992). Zij werden in Nederland echter pas mogelijk gemaakt sinds 1984. Een sociale transformatie van man naar vrouw of omgekeerd is alleen mogelijk als dit verlangen niet op voorhand verboden of gepathologiseerd wordt. Tot 1984 was beide in Nederland het geval. Transseksuelen werden behandeld met psychotherapie en psychofarmaca, en operaties mochten niet worden uitgevoerd. Pas toen de samenleving minder dwang aan genderrollen oplegde, kwamen operatieve behandelingen beschikbaar die in technisch opzicht al decennia mogelijk waren. Bovendien hebben verlangens en praktijken die we nu transseksueel noemen, niet alleen in Nederland, maar in alle plaatsen en tijden bestaan (zie Herd en Bullough en Bullough).
Misschien moeten we daarom meer kijken naar ons eigen lichamelijke weten om het transseksuele weten te begrijpen. Voor een ieder bij wie lichaam en het lichaamsbeeld overeenkomen, is de ervaring van onze Hongaarse arts bizar en moeilijk invoelbaar. We vinden het zelfs griezelig. We kunnen ons lichaamsbeeld niet anders voelen dan we doen. Kraft-Ebing’s patiënt net zo min.
Gebarend lichaam
Merleau-Ponty beschrijft het lichaam in zijn gerichtheid op de sociale wereld als een ‘gebarend lichaam’. Een geïsoleerd gebaar is zinloos, een gebaar vindt altijd plaats in de relatie tot de wereld en de ander. Tijdens een ontmoeting antwoorden onze gebaren op elkaar waardoor een innerlijk gevoelde relatie ontstaat ‘waarin de ander een voltooiing is van mijn eigen lichaam’. De kracht van lichaamstaal is therapeuten wel bekend. Zij worden geoefend in het gebruik van lichaamstaal om interesse en openheid te tonen. Deze non-verbale communicatie is juist zo krachtig omdat zij voorbewust verloopt. Dat wil niet zeggen dat de uitgewisselde woorden geen belang hebben. Ook het spreken heeft voor Merleau-Ponty een even sterk ‘wederzijds voltooiend’ karakter.
Het eigen lichaam komt pas geheel tot bestaan door bejegening, het is niet passief aanwezig, maar juist heel actief doende om op een non-verbale wijze een relatie gestalte te geven. Ook als man of vrouw. De beide lichaamstalen antwoorden op verschillende manieren, en we gebruiken ook versieringen aan het lichaam (kleding, make-up etc.) om een passende bejegening en relatie te creëren. Drag Kings en Queens maken hier wel eens een pastiche van en kunnen kleden, lopen, kijken en intoneren op manier die hun lichaam zo verzadigd van ‘gebaren’, dat we moeten lachen. Travestieten zijn weer serieuzer en wensen part-time bejegend worden als vrouw op een alledaagse manier. Voor de transseksueel is dit geen bestaansmogelijkheid. Vanuit Merleau-Ponty’s oogpunt voelt de transseksueel zich pas op een correcte wijze voltooid als een gehele sociale transitie heeft plaatsgevonden, en zij ook echt als ‘vrouw’ of ‘man’ wordt ervaren door haar medemensen. Als zij niet geloofwaardig kunnen overkomen in hun gewenste geslacht, en nog steeds in hun geboortegeslacht worden aangesproken, doet dit vaak meer zeer dan de fysieke aanwezigheid van een niet passend geslachtsdeel. Deze pijn en haar omgekeerde, het genot om zonder meer als vrouw gezien te worden, is een bron van kennis. Zij bevrijdt wat eerder ondenkbaar was en geeft het bestaansrecht en evidentie. Dat verklaart ook de wens van sommige transseksuelen om een gedeeltelijke medische behandeling. Transseksuelen die een geslachtsoperatie gewoon doodeng vinden, zijn niet perse in staat om te leven met een verkeerde bejegening. Een gedeeltelijke behandeling met hormonen kan hier een uitweg bieden. Maar dan treedt de wet in en wordt een gedeeltelijke geslachtsaanpassing protocolair onmogelijk gemaakt. Mensen die wel als vrouw leven maar geen vagina willen laten maken keren onverrichter zake terug naar huis. Het veranderen van de naam en geslachtaanduiding in paspoort, rijbewijs en bankpapier, is alleen mogelijk na een genitale operatie. Dat is pijnlijk voor mensen die al vele jaren als vrouw leven en werken en die niet naar het buitenland durven reizen. Mag dat? Een stuk wetgeving dat voorschrijft wat mannen en vrouwen in hun onderbroekje dienen te hebben? Tast dat niet te diep in de privé sfeer?
In een maatschappij waar mensen elkaar niet zozeer aan gender kennen, zou de wens tot een gehele of gedeeltelijke lichamelijke geslachtsverandering wellicht minder acuut gevoeld worden. Maar wie in onze maatschappij intieme relaties aan wil gaan heeft een gender nodig, of dit nu heteroseksuele of homoseksuele relaties betreft, met een geheel of gedeeltelijk mannelijk of vrouwelijk lichaam. Een travestiet verdeelt twee genders in de tijd, maar laat er geen misverstand over bestaan wanneer hij als man of vrouw bejegend wil worden. Een gemengde genderexpressie kan gebruikt worden om een seksuele identiteit vorm te geven. Zo kan een ‘potteuze’ lesbienne veel mannelijke trekken hebben. Maar zij wenst wel een andere bejegening en intieme relatie dan de vrouw-naar-man transseksueel. Wie een potteuze lesbienne met "hé vent!" begroet krijgt niet dezelfde glimlach terug als van een vrouw-naar-man transseksueel. Ons gender behoeft geloof en bevestiging. Ook dat van degenen die een gedeeltelijke geslachtsaanpassing nodig hebben.
Mannelijk of vrouwelijk bewustzijn
Het menselijk bewustzijn is voor Merleau-Ponty bijzonder aards. Het is geen abstract weten of begrijpen. Het bewustzijn is altijd een ‘ik kan’: de wereld vertoont zich in ons bewustzijn niet als een op zichzelf staand gegeven, maar als een ruimte waarin wij met ons lichaam iets concreet kunnen doen of betekenen. We kunnen dit het makkelijkst begrijpen met een concreet voorbeeld. Het lichaam van de automobilist die in zijn auto stapt breidt zich uit met paardenkrachten die zijn waarneming van afstanden veranderen. Wat voor de wandelaar ver weg is, is voor hem dichtbij. Zijn lichaam krijgt ook een nieuw membraan, de laklaag van de auto. Een kras erop voelt als een kras op de huid en de omvang van zijn auto doet de automobilist een parkeerplaats groot of klein voorkomen. Door nieuwe middelen en vaardigheden veranderd ons bewustzijn van de wereld, omdat we andere dingen kunnen doen.
Het ‘ik kan’ speelt zich altijd af in concrete situaties en lichamen. Bij transseksuelen is dit ‘ik kan’ het vermogen een man of een vrouw te zijn, tegenover voorbijgangers, vrienden, familie, en het liefst ook tegenover een geliefde. Het ‘ik kan’ houdt de sleutel tot ‘ik ben’ en kan het genderverdriet opheffen. Met andere woorden, eerst komt het ‘ik kan een man zijn’ of ‘ik kan een vrouw zijn’ en daarna pas de verandering in perspectief op het eigen leven als man of vrouw. De meeste transseksuelen die afhaken gedurende het behandelproject doen dit omdat zij niet overtuigend kunnen doorgaan voor de man of vrouw die zij wensen te zijn. Zij kunnen wel een jurkje aantrekken maar worden niet geloofd door voorbijgangers die hen met ‘meneer’ aanspreken of naar hen staren. En ook al zijn voorbijgangers heel beleefd, dan noch is de transseksueel zich heel bewust van hoe zij wordt ervaren door anderen. Mensen die op hun transitie terugkomen zeggen vaak: ‘het wordt niet zo mooi als ik had gehoopt’. Het aannemen van de andere genderrol is voor hen niet mogelijk, hun lichaam heeft niet de gebarende kracht om de transitie werkelijk te voltooien.
Zoals uit het voorbeeld van de automobilist duidelijk werd is het lichaam/bewustzijn voor Merleau-Ponty geen constante. Dat ervaren we niet alleen als we nieuwe vaardigheden tot onze beschikking krijgen, maar ook als we anderen dingen zien doen die we zelf niet kunnen. Velen van ons kunnen niet skiën maar zich het genoegen van het skiën wel voorstellen. Bijvoorbeeld als we een volleerd skiër soepel vanuit de heupen heen en weer zien glijden over een sneeuwhelling. We hebben een plaatsvervangend vermogen, een empathie voor een lichaam/bewustzijn dat wij zelf niet bezitten. Het stelt ons in staat te leren van anderen, bijvoorbeeld als we achter een skileraar aanskiën.
De grens van de lichamelijke empathie ligt voor de meesten van ons bij die lichaamsdelen waarvoor wij geen eigen lichaamsbeeld hebben, zoals de geslachtsdelen van de andere sekse. Veel mannen kunnen zich wel een voorstelling maken van hoe een vagina voelt, maar de resonantie van die ervaring wordt beperkt door de mogelijkheid om van het eigen geslachtsdeel (de penis) te genieten, en deze actief in een relatie te gebruiken. Dat actieve gebruik van de aangeboren genitaliën is voor veel transseksuelen op een gegeven moment niet meer mogelijk. Hij kijkt als een vrouw zonder benen naar een skiënde massa en is uitgesloten van de mogelijkheid tot een relatie, totdat zij een nieuw geslachtsdeel kan incorporeren en in een nieuw gender bejegend wordt.
Veel transseksuelen vertellen hoe zij zichzelf leerden kennen door een verpersoonlijking met leeftijdgenoten van het andere geslacht, en een plaatsvervangend delen van hun ervaringen. De kracht van dit plaatsvervangende leren was dat het voor hen plezierig was en voorbewust plaatsvond, totdat het verandert in een bewustzijn (‘ik kan geen vrouw zijn’) en de jaloezie of schaamte het plezier bederft. Zij hebben vanuit een algemeen gedeelde lichamelijke empathie toegang tot de beleving van personen van het andere gender. Voor niet-transseksuelen staat deze empathie minder open. Een man met een passend lichaambeeld ervaart het andere geslacht als ‘anders’ dan hemzelf. Uiteindelijk kan een transseksueel tijdens de transitie van zijn nood een deugd maken, door van rolmodellen te leren welke vormen van mannelijkheid of vrouwelijkheid bij hem past en welke niet. Dit maakt het hun mogelijk om geheel volwassen en zichzelf te worden in hun gewenste geslacht.
Een passend lichaamsbeeld
Hoe kunnen deze noties omtrent het lichaam ons helpen om een ‘transseksuele kennisleer’ te ontwerpen? Het is een kennisleer van voorbewust leren, van lichaamsbeeld versus lichaam, van gebaren die niet voltooit worden in de bejegening, en van een ‘ik kan niet’ dat langzamerhand vervangen wordt door een ‘ik kan’. Een empathisch leren helpt uiteindelijk de lacunes op te vullen in de persoonlijke ontwikkeling als man of vrouw. Deze vormen van leren omtrent het zelf zijn niet essentieel anders dan bij niet-transseksuelen. Meestal verlopen deze leerprocessen omtrent het lichaam onbewust. Bij transseksuelen treden ze op de voorgrond vanwege de discrepantie tussen lichaam en lichaamsbeeld. De behoefte aan gedeeltelijke behandelingen kan begrepen worden omdat sommige transseksuelen de pijn vooral voelen in de bejegening door anderen. Als de genderroltransitie van de transseksueel zonder al te veel kleerscheuren verloopt, heeft zij na de transitie een leven dat bij haar lichaamsbeeld past.
En of dat ook een oplossing zou zijn geweest voor Herculine Barbin of voor onze Hongaarse arts? Dat kunnen wij, als eenentwintigste-eeuwers niet voor hen bedenken. De werkelijkheid waar wij nu in leven verbiedt overigens sommige transseksuelen de draad van hun leven op te pakken. Herculine is nog steeds onder ons..
Literatuur
Barbin, H en Foucault, M. Herculine Barbin: being the recently discovered memoirs of a ninetheenth century French hermafrodite. Random House, 1980.
Benjamin H. The transsexual phenomenon. Julian Press, 1966.
Bullough en Bullough. Crossdressing, Sex and Gender. University of Pennsylvania Press, 1993.
Eicher W. Transsexualismus. Gustav Fischer Verlag, 1992.
Herd G. Third sex, third gender. Zone books. 1994.
Merleau-Ponty, M. The visible and the invisible. Northwestern University Press, 1969.
Merleau-Ponty, M. Phenomenology of perception. Routledge, 2002.
Prosser, J. Second Skins, the body narratives of transsexuality. Columbia University Press, 1998.
Sacks, O. The man who mistook his wife for a hat and other clinical tales. Touchstone Books, 1998.
Arianne van der Ven is psychologe, gespecialiseerd in Genderproblematiek. Reacties en informatie: ariannevanderven@cs.com |